Het einde van de alimentatieverplichting- Art.1:160 BW

Art. 160 – Het einde van de alimentatieverplichting

Door mr. Joan Brouwers-Oosterbaan

“Een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.”

Aan dit artikel zitten twee kanten. Enerzijds is het terecht dat er geen alimentatie meer betaald hoeft te worden als de ontvangende ex-partner inmiddels knus op de bank zit met een nieuwe liefde. Anderzijds mag het ook niet zo zijn dat het hebben van een nieuwe relatie direct leidt tot het verliezen van het recht op alimentatie.

De rechter stelt zich op het standpunt dat bij het hanteren van art. 160 de onderhoudsproblematiek voorop dient te staan. Dit betekent dat de triomfantelijke constatering ‘Ha, ze woont samen!’ niet voldoende is. De betalende ex-partner zal daarnaast namelijk ook dienen aan te tonen dat er sprake is van een duurzame affectieve relatie waarbij partners, naast dat zij samenwonen, ook elkaar wederzijds verzorgen en het nodige verschaffen. Aan al deze factoren zal een rechter niet luchtig voorbijgaan, in technische termen: hier geldt een restrictieve toepassing, juist omdat het bij de ontvangende partij raakt aan de bestaanszekerheid.

Maar hiermee is ook weer niet helemaal alles gezegd: sinds het begin van deze eeuw is gebleken dat het in de moderne samenleving met haar vele vormen van samenleven heel erg lastig kan zijn om de hierboven genoemde punten allemaal te kunnen stellen en bewijzen. Dit heeft ertoe geleid dat er, naast de zware stelplicht die rust op de betalende partij, op de alimentatiegerechtigde partner een zwaardere verplichting is komen te liggen om hetgeen in rechte worst gesteld voldoende gemotiveerd te betwisten, dit inclusief een verplichting om financiële opening van zaken te geven. Zo kan het dan gebeuren dat het verstandig kan zijn om bankrekeningen te overleggen om te bewijzen dat er geen financiële verwevenheid bestaat, oftewel: dat de ontvangende partner niet financieel wordt verzorgd door de nieuwe liefde.

Beide partijen hebben groot belang bij een toets of al dan niet sprake is van samenleven alsware men gehuwd. Dit heeft tot gevolg dat indien de rechter van mening is dat de alimentatiebetaler voorshands al voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat art. 160 van toepassing is, de alimentatie ontvangende partij in de gelegenheid moet worden gesteld om al het gewenste tegenbewijs te leveren.

Voor betaler en ontvanger geldt dus dat zij beiden op hun tellen moeten passen: de rechter geraakt enerzijds niet zo makkelijk tot toepassing van art. 160, anderzijds kan alleen door het leveren van gedegen tegenbewijs aan art. 160 ontkomen worden.